Het déjà vu dat Pogacar opriep, is vervelend voor de koers


© AFP - Met zijn vierde zege in de Strade Bianche, 
eentje meer dan Fabian Cancellara, is Tadej Pogacar nu alleen recordhouder.

De wielerliefhebber snakt naar een figuur die het de Sloveen echt lastig kan maken. Dat is nu nog te veel gevraagd voor Seixas, maar hij heeft nog veel marge

9 Mar 2026 - De Standaard
Diebrecht De Smet

Sommige koersen hebben een scenario, de Strade Bianche heeft een routine: Tadej Pogacar die op de Monte Sante Marie wegrijdt, de rest die kraakt. Maar tussen het stof in Toscane kwam ook een Franse tiener voorbij die zich de komende jaren niet zomaar bij dat script zal neerleggen.

“Gaan we nu telkens hetzelfde scenario krijgen? Nee, toch?” Rond 14.45 uur zaterdagmiddag, terwijl het peloton zich op de flanken van de Monte Sante Marie bevond, sprak wielercommentator José De Cauwer hardop uit wat half wielerminnend Europa dacht. Het was daar dat Tadej Pogacar in 2022 zijn zegetocht begon, daar dat hij in 2024 solo vertrok, en daar dat vorig jaar zowat het hele peloton overboord werd gegooid – op Tom Pidcock na.

Toen uitgerekend de Brit er nu met een kettingprobleem sukkelde, deed de Sloveense wereldkampioen wat hij altijd doet: de turbo aanzetten. Een kilometer later was de schade immens. Het peloton lag in stukken over de Toscaanse grindwegen. Wat volgde, was een demonstratie met de rest van het deelnemersveld turend naar een almaar kleiner wordend rugnummer 1. Aan de bocht waar hij twaalf maanden geleden nog in het decor belandde, had Pogacar zelfs de tijd om in de camera te gebaren dat hij het deze keer wat rustiger zou aanpakken. Spelen met de pedalen (en de tegenstand) heet dat.

Zo zette de wereldkampioen 2026 in zoals hij 2025 geëindigd was: met een monsterlijke solo. Op z’n 27ste lijkt Pogacar nog maar eens sterker te zijn geworden. Hij raasde over de sterrati met een gemiddelde snelheid van 42,7 kilometer per uur, twee kilometer per uur meer dan vorig jaar. Dat was toen de snelste editie ooit van de Strade Bianche – de koers was wel tien kilometer langer en bevatte twee grindstroken meer. Volgens Velon, een commerciële organisatie van verschillende World Tour-ploegen die onder meer een inkijk geeft in rennersdata, trapte Pogacar tijdens z’n solo gemiddeld 380 watt, 40 watt meer dan in 2024 en 2025.

Knap vervelend

Met z’n vierde overwinning in zeven deelnames wordt hij alleen recordhouder in Siena, voor Fabian Cancellara. Knap alweer, vond een verdienstelijke Wout van Aert, die als tiende finishte. Maar voor de spankracht van de koers is het vervelend. Wielrennen verkoopt zichzelf graag als een sport van onzekerheid, vol plotwendingen. Alleen: zodra de regenboogtrui aan de start opdaagt, mogen die wetten bij het oud papier.

Zelfs toen in de achtergrond zestien renners bij elkaar kwamen, had de achtervolging veel weg van een kat die een laserstraal probeert te vangen: veel beweging, weinig resultaat. Dat ze zich daar bij het meesterschap van de Sloveen leken neer te leggen en er nooit een echte samenwerking op gang kwam, hielp niet.

In de aanloop naar Pogacars competitiedebuut klonk het hier en daar dat we elke dag dichter bij het moment komen waarop iemand hem klopt. Afgaande op zijn demonstratie richting Siena zal dat niet voor morgen zijn. Ook omdat hij nog altijd over het sterkste blok beschikt. Met Isaac del Toro (derde) en Jan Christen (zesde) bezette UAE Team Emirates-XRG nog twee andere plekken in de top tien. De zege in de Strade was bovendien al de veertiende van het seizoen voor het team, terwijl elf van hun renners out zijn.

De uitverkorene

Toch klopte zaterdag ook de belofte voor een andere toekomst aan de deur. Tijdens het EK begin oktober had Paul Seixas met een derde plaats, achter Pogacar en Remco Evenepoel, al een eerste visitekaartje afgegeven. Na zijn etappeoverwinning in de Ronde van de Algarve (tegen Juan Ayuso) midden februari en indrukwekkende solozege in de Faun Ardèche Classic vorig weekend (waar hij Matteo Jorgenson klopte), wilde iedereen weten hoe het Franse fenomeen zich tot de beste renner ter wereld zou verhouden. De kopman van Decathlon-CMA CGM was de enige die op de Monte Sante Marie het wiel van Pogacar even leek te kunnen houden. Finaal moest ook hij passen – geen schande als je negentien bent en tegenover een fenomeen staat. Opvallender was wat daarna gebeurde: de Fransman implodeerde niet, maar reed een beheerste koers. In de finale glipte hij weg uit de achtervolgende groep en dropte op de steile Via Santa Caterina zelfs nog Del Toro. Met 19 jaar, 5 maanden en 11 dagen is Seixas drie jaar jonger dan de vorige jongste op het podium van de Strade Bianche – Moreno Moser in 2013.

Belgisch bondscoach Serge Pauwels noemde Seixas eerder deze week in het Nieuwsblad nu al “een van de vijf tot zes beste renners ter wereld. (…) Hij heeft nog niet het palmares van Pogacar, Evenepoel of Vingegaard, maar het zal niet lang meer duren voor hij dat begint op te bouwen.” De neutrale wielerliefhebber snakt naar een figuur die het de Sloveen echt lastig kan maken. Dat is vandaag nog te veel gevraagd voor een tiener. Maar er zit nog veel rek op Seixas.

Volgens ploegmaat Oliver Naesen kan hij bovendien opvallend goed met de druk om, ook al torst hij de hoop van een hele wielernatie. Marc Madiot, de voormalige ploegbaas van GroupamaFDJ, verwoordde het vorige week tegen RMC Sport zo: “Hij is de uitverkorene, die Frankrijk weer een eindzege in de Tour moet bezorgen.” Of hij er dit jaar al aan de start verschijnt, daar twijfelt zijn ploeg nog over. Eerst wacht nog een andere afspraak: Luik-Bastenaken-Luik, waar Seixas opnieuw oog in oog komt te staan met Pogacar. Zelfs de Sloveen moest op het Piazza del Campo toegeven dat we “nog veel van Paul zullen zien”.

In ‘Aan de meet’ duikt Diebrecht De Smet in de wieleractualiteit van het weekend.

***


© belga Van Aert stond als bonk van 78 kilogram 
zijn mannetje tussen de lichtgewichten.

Van Aert tankt vertrouwen: “Ik mis nog iets, maar niet heel veel”

Tiende, maar wel het grootste deel van de finale tussen de klimtoppers achter Tadej Pogacar: Wout van Aert mocht tevreden zijn over zijn prestatie in de Strade Bianche. Maar volstaat dat om straks ook in Vlaanderen en Roubaix een hoofdrol op te eisen?

«We moeten eerlijk zijn: iedereen wist dat op de Sante Marie 
de schifting zou worden gemaakt en het ging er te snel voor mij»
   - Wout van Aert, Visma-Lease a Bike

9 Mar 2026 - De Standaard
Wim Vos

Na de ellende van de voorbije maanden, met die enkelbreuk in januari en buikgriep in aanloop naar de Omloop, zocht Wout van Aert zaterdag in de Strade Bianche naar een broodnodige portie vertrouwen. Die vond hij ook in Toscane. Met een tiende plek behaalde Van Aert dan wel zijn laagste notering ooit in de Strade, maar onderweg toonde Van Aert zich tussen de grote namen. Finaal was er maar één plaats waar Van Aert écht in de problemen kwam, de Monte Sante Marie. Niet toevallig de plek waar Pogacar naar goede gewoonte de wedstrijd deed ontploffen en waar, door de lengte en de steiltegraad, alle zwaardere renners in de problemen kwamen.

Van Aert gaf na afloop ruiterlijk toe hoeveel pijn hij daar in zijn benen had gevoeld. “Natuurlijk wil ik meer”, klonk het heel eerlijk. “Maar we moeten eerlijk zijn: iedereen wist dat daar de schifting zou worden gemaakt en het ging er te snel voor mij. Ik kwam er net tekort om in de groep met Matteo te zitten.”

Matteo was zijn Amerikaanse ploegmaat Matteo Jorgenson, en even leek die de enige renner van Visma-Lease a Bike te zijn die – want al de rest gebeurde een eindje achter Pogacar – zich in de strijd om de tweede plaats kon mengen. Maar – en dat was wellicht de grootste opsteker van de Strade – dat was buiten de weerbaarheid van Van Aert gerekend. Eenmaal de allersteilste stroken achter de rug waren, slaagde Van Aert er samen met onder anderen Ben Healy in het kloofje naar de elitegroep met renners als Jorgenson, Romain Grégoire, Tom Pidcock, Isaac del Toro en wonderkind Paul Seixas toch weer te dichten. In die groep van een 17-tal renners, met allemaal lichtgewichten, was Wout van Aert de vreemde eend in de bijt met zijn 78 kilogram.

Voldoende tijd

De wedstrijd was voor Van Aert dan ook een realitycheck: onze landgenoot gaat wellicht nooit meer een tweede Strade Bianche winnen. Daarvoor is dit veel te veel een wedstrijd voor klimmers geworden – nota bene de reden dat Mathieu van der Poel zijn kat stuurde. Maar in zijn gewichtscategorie was Van Aert wel veruit de beste. Zozeer dat hij in de achtervolging op Pogacar zelfs een paar keer de forcing voerde. Pas op dertig kilometer van de streep zou hij uit de spits – Pogacar buiten beschouwing – van de wedstrijd verdwijnen. Zeven renners, onder wie Gianni Vermeersch, namen er opnieuw afstand.

Opnieuw was Van Aert realistisch: “Al toen ik terugkeerde na de Monte Sante Marie wist ik dat op een zeker ogenblik de sterksten toch weer zouden wegrijden. Het is wat het is. Ik ben tevreden over mijn finale. Meer zat er niet in. Dit is het resultaat dat ik verdien op dit moment.”

Wat zeker is: de grootste vraagtekens zijn weg. Vrijdag op de teampresentatie had Van Aert zelf nog de voorzichtige twijfels uitgesproken die bij iedereen leefden. Hoe zat het met zijn vorm na zijn winterse val en zijn flinke griep? Zat hij nog op schema richting voorjaar? Door zijn pech in volle finale had Le Samyn afgelopen dinsdag geen duidelijkheid gebracht. De Strade deed dat wel. Wie in dit deelnemersveld en in zo’n wedstrijd netjes tiende eindigt, is conditioneel in orde. Of beter: die heeft nog voldoende tijd om tegen de grote kasseimonumenten zijn allerbeste vorm te halen.

Zoals Van Aert het zelf zei: “Ik kwam dat ene procentje te kort om in de groep te zitten die voor de podiumplaatsen streed.” Even later gevolgd door: “Ik mis nog iets, maar ook niet heel veel.” In Tirreno-Adriatico heeft Van Aert vanaf maandag zeven dagen de tijd om ook dat laatste “iets” toe te voegen.

Uitslag Strade Bianche: 

1. Tadej Pogacar (Slo/UAE Team Emirates - XRG) 203 km in 4u45:15; 
2. Paul Seixas (Fra) 1:00; 
3. Isaac Del Toro (Mex) 1:09; 
4. Romain Gregoire (Fra) 2:04; 
5. Gianni Vermeersch (Bel); 
6. Jan Christen (Zwi) 2:07; 
7. Thomas Pidcock (GBr) 2:14; 
8. Matteo Jorgenson (VSt) 2:20; 
9. Andreas Kron (Den) 3:46; 
10. Wout van Aert (Bel)

***

© AFP - Con la sua quarta vittoria alla Strade Bianche, una in più di Fabian Cancellara, Tadej Pogacar è ora l'unico detentore del record.

Il déjà vu evocato da Pogacar è fastidioso per la gara

Gli appassionati di ciclismo desiderano ardentemente una figura che possa davvero dare filo da torcere allo sloveno. Per Seixas è ancora troppo chiederlo, ma ha ancora molto margine

9 marzo 2026 - De Standaard
Diebrecht De Smet

Alcune gare hanno uno scenario, la Strade Bianche ha una routine: Tadej Pogacar che scappa sul Monte Sante Marie, gli altri che faticano. Ma tra la polvere della Toscana è arrivato anche un adolescente francese che nei prossimi anni non si accontenterà di seguire quel copione.

“Avremo sempre lo stesso copione? No, vero?” Verso le 14:45 di sabato pomeriggio, mentre il gruppo si trovava sulle pendici del Monte Sante Marie, il commentatore ciclistico José De Cauwer ha espresso ad alta voce ciò che metà dell'Europa appassionata di ciclismo pensava. È là che Tadej Pogacar ha iniziato la sua marcia trionfale nel 2022, è là che nel 2024 è partito in solitaria, ed è là che l'anno scorso quasi tutto il gruppo è stato lasciato indietro, tranne Tom Pidcock.

Quando proprio il britannico (quest'anno) ha avuto un problema alla catena, l'iridato sloveno ha fatto quello che fa sempre: ha acceso il turbo. Un chilometro dopo, il danno era immenso. Il gruppo era distrutto sulle strade sterrate toscane. Quello che ne è seguito è stato una dimostrazione con il resto dei partecipanti che guardavano il numero 1 farsi sempre più piccolo. Alla curva dove dodici mesi fa era finito fuori pista, Pogacar ha avuto persino il tempo di fare un cenno alla telecamera per dire che questa volta avrebbe preso le cose con più calma. Si chiama giocare con i pedali (e con gli avversari).

Così il campione del mondo 2026 ha iniziato come aveva finito il 2025: con una fuga solitaria mostruosa. A 27 anni, Pogacar sembra essere diventato ancora più forte. Ha sfrecciato sugli sterrati con una velocità media di 42,7 chilometri l'ora, due chilometri orari in più rispetto l'anno scorso. Quella era stata l'edizione più veloce di sempre della Strade Bianche, ma la gara era più lunga di dieci chilometri e comprendeva due tratti di ghiaia in più. Secondo Velon, un'organizzazione commerciale di diverse squadre del World Tour che fornisce, tra l'altro, dati sui corridori, durante la sua fuga Pogacar ha pedalato a una media di 380 watt, 40 watt in più rispetto al 2024 e al 2025.

Davvero fastidioso

Con la sua quarta vittoria in sette partecipazioni, diventa il detentore del record a Siena, davanti a Fabian Cancellara. Un risultato eccellente, secondo un meritevole Wout Van Aert, che è arrivato decimo. Ma per la tensione della gara è fastidioso. Il ciclismo ama vendersi come uno sport dell'incertezza, pieno di colpi di scena. Solo che, non appena la maglia iridata fa la sua comparsa alla partenza, quelle regole vanno gettate nel cestino.

Anche quando sedici corridori si sono riuniti sullo sfondo, l'inseguimento è stato simile a un gatto che cerca di catturare un raggio laser: molto movimento, pochi risultati. Il fatto che sembrassero rassegnarsi alla supremazia dello sloveno e che non sia mai nata una vera collaborazione non ha aiutato.

All'approssimarsi del debutto di Pogacar in stagione, si sentiva dire qua e là che ogni giorno ci avviciniamo al momento in cui qualcuno lo batterà. A giudicare dalla sua dimostrazione verso Siena, non sarà domani. Anche perché ha ancora il gruppo più forte. Con Isaac del Toro (terzo) e Jan Christen (sesto), l'UAE Team Emirates-XRG ha occupato altri due posti nella top ten. La vittoria alla Strade è stata inoltre la quattordicesima della stagione per la squadra, nonostante undici dei suoi corridori siano fuori gioco.

Il prescelto

Tuttavia, sabato si è concretizzata anche la promessa di un futuro diverso. Durante gli Europei di inizio ottobre, Paul Seixas aveva già dato un primo assaggio delle sue capacità conquistando il terzo posto, dietro lo stesso Pogacar e Remco Evenepoel. Dopo la vittoria di tappa al Giro dell'Algarve (contro Juan Ayuso) a metà febbraio e l'impressionante vittoria in solitaria alla Faun Ardèche Classic lo scorso fine settimana (dove ha battuto Matteo Jorgenson), tutti volevano sapere come il fenomeno francese si sarebbe comportato rispetto al miglior corridore del mondo. Il leader della Decathlon-CMA CGM è stato l'unico che sul Monte Sante Marie è sembrato in grado di tenere la ruota di Pogacar. Alla fine anche lui ha dovuto cedere, ma non c'è da vergognarsi quando hai diciannove anni e ti trovi di fronte un fenomeno. Più sorprendente è stato ciò che è successo dopo: il francese non è crollato, ma ha corso con controllo. Nel finale è scivolato via dal gruppo degli inseguitori e sulla ripida Via Santa Caterina ha addirittura staccato del Toro. A 19 anni, 5 mesi e 11 giorni, Seixas è tre anni più giovane del precedente più giovane sul podio della Strade Bianche: Moreno Moser nel 2013.

Il commissario tecnico belga Serge Pauwels ha definito Seixas questa settimana sul quotidiano Nieuwsblad "uno dei cinque o sei migliori corridori al mondo. (...) Non ha ancora il palmarès di Pogacar, Evenepoel o Vingegaard, ma non ci vorrà molto prima che inizi a costruirselo". Gli appassionati di ciclismo neutrali desiderano ardentemente una figura che possa davvero dare filo da torcere allo sloveno. Oggi questo è ancora troppo da chiedere a un adolescente. Seixas ha però ancora molto margine di crescita.

Secondo il suo compagno di squadra Oliver Naesen, è anche sorprendentemente bravo a gestire la pressione, anche se porta sulle spalle le speranze di un'intera nazione ciclistica. Marc Madiot, ex direttore sportivo del Groupama-FDJ, lo ha espresso così la scorsa settimana a RMC Sport: “È il prescelto che deve riportare la Francia alla vittoria del Tour”. La sua squadra non è ancora sicura se quest'anno lui sarà al via. Prima c'è un altro appuntamento: la Liegi-Bastogne-Liegi, dove Seixas si troverà di nuovo faccia a faccia con Pogacar. Anche lo sloveno ha dovuto ammettere in Piazza del Campo che “vedremo ancora molto di Paul”.


In “Aan de meet” Diebrecht De Smet approfondisce l'attualità ciclistica del fine settimana.

***

© belga - Con i suoi 78 chilogrammi, 
Van Aert ha tenuto testa ai pesi leggeri.

Van Aert fa il pieno di fiducia: “Mi manca ancora qualcosa, ma non molto”

Decimo, ma comunque il migliore tra i non-scalatori alle spalle di Tadej Pogacar: Wout Van Aert può ritenersi soddisfatto della sua prestazione alla Strade Bianche. Ma basterà questo per rivendicare un ruolo da protagonista anche al Fiandre e alla Roubaix?

«Dobbiamo essere onesti: tutti sapevano che sulla Sante Marie
si sarebbe deciso il risultato e per me è andato tutto troppo veloce»
   - Wout van Aert, Visma-Lease a Bike

9 marzo 2026 - De Standaard
Wim Vos

Dopo le difficoltà degli ultimi mesi, con la frattura alla caviglia a gennaio (nel cross, ndr) e il virus intestinale alla vigilia dell'Omloop, sabato Wout Van Aert ha cercato nella Strade Bianche una dose di fiducia di cui aveva davvero bisogno. E in Toscana l'ha trovata. Con un decimo posto, ha ottenuto il suo peggior risultato di sempre nella Strade, ma lungo il percorso ha dimostrato di poter stare tra i grandi. Alla fine c'è stato solo un punto in cui Van Aert ha avuto davvero dei problemi, il Monte Sante Marie. Non a caso il luogo in cui Pogacar, come di consueto, ha fatto esplodere la gara e dove, a causa della lunghezza e della pendenza, tutti i corridori più pesanti hanno avuto difficoltà.

Van Aert ha ammesso con grande sportività quanto dolore avesse provato alle gambe in quel momento. “Certo che voglio di più”, ha ammesso con grande onestà. “Ma dobbiamo essere sinceri: tutti sapevano che là si sarebbe deciso il risultato e per me è andato tutto troppo veloce. Mi è mancato poco per stare nel gruppo con Matteo”.

Matteo è il suo compagno di squadra, l'americano Jorgenson, e per un attimo è sembrato l'unico corridore della Visma-Lease a Bike che, dato che tutti gli altri erano rimasti indietro rispetto a Pogacar, potesse inserirsi nella lotta per il secondo posto. Ma, e questo è stato forse il colpo di scena più grande nella Strade, non aveva fatto i conti con la tenacia di Van Aert. Una volta superati i tratti più ripidi, Van Aert è riuscito, insieme con Ben Healy e altri, a colmare il divario con il gruppo d'élite composto da corridori come Jorgenson, Romain Grégoire, Tom Pidcock, Isaac del Toro e il prodigio Paul Seixas. In quel gruppo di 17 corridori, tutti pesi leggeri, Wout Van Aert con i suoi 78 chilogrammi era l'outsider.

Tempo sufficiente

La gara è stata quindi un ritorno alla realtà per Van Aert: il nostro connazionale probabilmente non vincerà mai più una seconda Strade Bianche. Questa gara è diventata troppo adatta agli scalatori, motivo per cui Mathieu van der Poel ha deciso di non partecipare. Ma nella sua categoria di peso, Van Aert è stato di gran lunga il migliore. Tanto che durante l'inseguimento a Pogacar ha persino forzato il ritmo un paio di volte. Solo a trenta chilometri dal traguardo è uscito dal gruppo di testa, Pogacar a parte. Sette corridori, tra cui Gianni Vermeersch, hanno preso nuovamente il largo.

Ancora una volta Van Aert è stato realista: “Già quando sono tornato dopo il Monte Sante Marie sapevo che a un certo punto i più forti sarebbero ripartiti. È così. Sono soddisfatto del mio finale. Non potevo fare di più. Questo è il risultato che mi merito in questo momento”.

Una cosa è certa: i dubbi più grandi sono stati dissipati. Venerdì, durante la presentazione della squadra, Van Aert stesso aveva espresso i timidi dubbi che tutti nutrivano. Come era messa la sua forma fisica dopo la caduta invernale e la brutta influenza? Era ancora in linea con i tempi previsti per la primavera? A causa della sfortuna nel pieno del finale, martedì scorso Le Samyn non aveva chiarito la situazione. La Strade invece sì. Chi in questo gruppo di partecipanti e in una gara del genere finisce al decimo posto, è in buona forma. O meglio: ha ancora tempo sufficiente per raggiungere la forma migliore in vista dei grandi monumenti del pavé.

Come ha detto lo stesso Van Aert: “Mi è mancato quel piccolo margine per entrare nel gruppetto che ha lottato per il podio”. E poco dopo ha aggiunto: “Mi manca ancora qualcosa, ma non molto”. Alla Tirreno-Adriatico, a partire da lunedì Van Aert avrà sette giorni di tempo per aggiungere quell'ultimo “qualcosina”.

Ordine d'arrivo Strade Bianche:

1. Tadej Pogacar (Slo/UAE Team Emirates - XRG) 203 km in 4h45:15;
2. Paul Seixas (Fra) 1:00;
3. Isaac del Toro (Mex) 1:09;
4. Romain Gregoire (Fra) 2:04;
5. Gianni Vermeersch (Bel);
6. Jan Christen (Zwi) 2:07;
7. Thomas Pidcock (GBr) 2:14;
8. Matteo Jorgenson (VSt) 2:20;
9. Andreas Kron (Den) 3:46;
10. Wout van Aert (Bel)

Commenti

Post popolari in questo blog

I 100 cattivi del calcio

Echoes' Cycling Biography #4: Jean-Pierre Monseré

Chi sono Augusto e Giorgio Perfetti, i fratelli nella Top 10 dei più ricchi d’Italia?