Japan versloeg Engeland, Spanje, Duitsland en Brazilië. Zondag ook Oranje?
FOTO KOJI WATANABE/GETTYIMAGES
Eigen jeugdopleidingen maken clubs duurzamer en het voetbal succesvoller,
luidt de visie van het honderdjarenplan dat de Japanse voetbalbond in 1992 schreef.
WK VOETBAL - Amper dertig jaar geleden had Japan nog geen profvoetbal. Na drie decennia geplande ontwikkeling blaakt de tegenstander van het Nederlands elftal nu van het zelfvertrouwen.
"Weinig Japanners denken dat we een kans maken voor de WK-titel,
maar we zijn een dark horse"
- Hajime Moriyasu bondscoach Japan
- Hajime Moriyasu bondscoach Japan
9 Jun 2026 - NRC
Mark Lievisse Adriaanse
AMSTERDAM - Japan wordt wereldkampioen. Misschien nog niet dit toernooi en misschien ook nog niet over vier jaar. Maar dan toch zeker in 2050. Dat is althans het doel dat de Japanse voetbalbond zichzelf stelde toen het in 2005 een voetbalvisie op papier zette. Binnen een halve eeuw moesten niet alleen tien miljoen Japanners gaan voetballen; het land moest ook de beste van de wereld worden.
Of lukt dat toch dit jaar al? Japan, zei de voorzitter van de voetbalbond eind vorig jaar, „kan de finale van het WK halen”. Bondscoach Hajime Moriyasu deed er een paar maanden later nog een schepje bovenop. „Weinig Japanners denken dat we een kanshebber zijn voor de WK-titel”, zei hij, „maar we zijn een dark horse”.
Nooit reikte Japan op een WK verder dan de achtste finale. Maar de uitspraken van de Japanse voetbaltop onderschrijven de groei die het team de laatste jaren doormaakte. Vier jaar geleden verraste Japan door in de groepsfase Spanje en Duitsland te verslaan, waarna het pas na penalty’s werd uitgeschakeld door de verliezend finalist van vier jaar eerder, Kroatië.
En in het laatste jaar alleen al won het team oefenwedstrijden van Brazilië en, afgelopen maart als eerste Aziatische land op Wembley, Engeland. Zondag is het in Dallas de eerste tegenstander van Oranje, daarna wachten in de groepsfase nog Zweden en Tunesië. Wat maakt Japan zo goed? De opkomst van Japan als voetballand is een succes van blauwdrukken, visiedocumenten en een gestructureerde planning. En van een Nederlander. Hans Ooft, die in Nederland via de jeugd van Feyenoord een bescheiden voetbalcarrière had bij Veendam, Cambuur en Heerenveen, is in Japan een grootheid. Onder zijn leiding wint het land in 1992 voor het eerst het Aziatische kampioenschap, met een team dat grotendeels bestaat uit amateurs. Japan heeft dan geen professionele voetbalcompetitie, maar een amateurdivisie waarin de teams van grote Japanse bedrijven het tegen elkaar opnemen.
Gary Lineker
Dat verandert in 1993. Tien clubs wijzigen hun naam – Mitsubishi Motors wordt bijvoorbeeld Urawa Red Diamonds en Hitachi Soccer Club verandert in Kashiwa Reysol, hoewel beide bedrijven eigenaar blijven van de clubs – en vormen de nieuwe, professionele J-League. Gelouterde buitenlanders in de nadagen van hun carrière als de Engelsman Gary Lineker, de Braziliaan Zico en de Duitse wereldkampioen Pierre Littbarski moeten de competitie aantrekkelijk maken voor een groot, en nieuw, publiek. Japan is vooral een honkballand.
Even lukt dat, maar binnen vijf jaar halveert het gemiddelde toeschouwersaantal per wedstrijd naar amper tienduizend. Door afnemende sponsorinkomsten staan meerdere clubs bovendien op de rand van faillissement. Het ontbreekt veel clubs aan de tradities, geschiedenis en lokale worteling die Europese voetbalclubs en Japanse honkbalteams wel hebben. Wel plaatst het land zich in 1998 voor het eerst voor het wereldkampioenschap. Daar verliest het alle drie de groepswedstrijden en scoort het maar één keer.
Toch is de oorsprong van het huidige Japanse succes in die jaren te vinden, zegt Edward Rikkert de Koe. Hij geldt in Nederland als dé brug naar het Japanse voetbal: hij legt contacten tussen clubs, is betrokken bij transfers en commerciële samenwerkingen en begeleidt Japanse spelers in Nederland. „Het bewustzijn in het Japanse voetbal dat ze het kunnen begon onder Hans Ooft”, zegt hij. „Daarvoor was altijd idee: Japan kan het niet.”
DE MARCHENA/REUTERS FOTO CRISTIAN
De Japanse selectie traint voor het WK in het Mexicaanse Monterrey. Vijfde van links Ajacied Ko Itakura, naast hem in het midden Feyenoord-spits Ayase Ueda.
Het WK in 2002, dat Japan samen met Zuid-Korea organiseert, geeft een nieuwe impuls. Slechts een handjevol Japanners voetbalt dan in Europa: Hidetoshi Nakata ontwikkelt zich in Italië tot de eerste Aziatische voetbalster, Shinji Ono is in 2002 met Feyenoord de eerste Japanner die een Europese hoofdprijs pakt, de UEFA Cup. Negentien van de 23 spelers uit de WK-selectie voetballen nog in de J-League.
Die is een paar jaar eerder nieuw leven ingeblazen door de voetbalbond met een alomvattend honderdjarenplan. In 2092, als het honderdste seizoen van de J-League aanvangt, moeten er in Japan honderd profclubs zijn. Door eigen jeugdopleidingen te starten en overeenkomsten te sluiten met kleine, lokale bedrijven worden clubs duurzamer en het voetbal succesvoller, is het idee.
Zes jaar later volgt nog een ander omvangrijk plan: Japan’s Way, waarin de bond de ambitie uitspreekt om in 2050 wereldkampioen te worden. Het document is sindsdien meermaals geactualiseerd en beschrijft uitgebreid hoe Japanse spelers moeten voetballen, met profielen per positie.
Het document beschrijft tot in detail hoe voetbal in Japan gespeeld moet worden en wat spelers daarvoor moeten kunnen. Het kopieert geen buitenlandse stijl, zoals Duits pressievoetbal of Spaans positiespel, maar ambieert ‘Japans voetbal’. Dat vraagt van spelers bijvoorbeeld een grote voetbalintelligentie om op het veld de juiste beslissingen te nemen, eist dat teams collectief verdedigen en aanvallen en snelle omschakelingen richting het vijandige doel als de bal is veroverd. Cruciaal daarvoor is dat spelers altijd hard én samenwerken.
Grote gasten
Technisch waren Japanse voetballers altijd al superieur, zag Rikkert de Koe. „Maar tactisch en fysiek bleven ze lang achter. Je zag dat ze daar problemen mee hadden, vooral als ze in Europa voetbalden.” Maar de laatste jaren is dat veranderd. Hij begint over een jeugdteam van de voetbalbond dat elk voorjaar een reeks oefenwedstrijden speelt tegen leeftijdsgenoten van Europese clubs. „Tien jaar geleden waren dat kleine mannetjes. Dit jaar dacht ik: die gasten zijn groot, stevig en sterk.”
Die fysieke ontwikkeling is ook te zien in het nationale team: de spelers die nu naar het WK gaan zijn gemiddeld vier centimeter langer (181.5 cm) dan het team dat in 1998 debuteerde. De JLeague werd de afgelopen jaren bovendien intensiever, met meer sprints op hoge snelheid. Daardoor is voor spelers de stap naar het intensieve, Europese voetbal kleiner geworden.
Europese clubs hebben de potentie van Japan inmiddels ontdekt. Rikkert de Koe merkt het ook bij Nederlandse clubs; vlak na het interview met NRC heeft hij een afspraak met een Nederlandse club en een Japanse voetballer die nu nog op een middelbare school voetbalt. Die scholen spelen in het Japanse voetbal een belangrijke rol. Naast de opleidingen van profclubs is er een parallelle structuur van scholen en universiteiten, waar op hoog niveau gevoetbald wordt.
Van de spelers die nu naar het WK gaan, werden er evenveel opgeleid door profclubs als door scholen en universiteiten. Het landelijke kampioenschap voor schoolvoetbal, elk jaar in december, trekt inmiddels scouts van steeds meer Europese clubs; het is de eerste keer dat de beste schoolvoetballers van het land op één plek te zien zijn – beelden van hun reguliere wedstrijden staan niet in de grote databases waar clubs gebruik van maken. Ook op het tweede niveau wordt veelvuldig gescout.
Dodelijk effectief
Die ontwikkelingen – een sterkere J-League, professionelere opleidingen én meer voetballers die slagen in Europa – versterken elkaar. Aan het begin van de eeuw was het aantal Japanners dat in Europa speelde op één hand te tellen; afgelopen seizoen speelden alleen in de tien grootste competities al 54 Japanners.
Die groei is ook te zien in het nationale team. In de selectie die in 1998 debuteerde op het WK, speelde niemand buiten Japan. Daarna groeide het percentage spelers dat in buitenlandse competities uitkomt gestaag, naar iets meer dan de helft in 2014, ruim 80 procent in 2022 en, dit jaar, bijna 90 procent – alleen twee reservekeepers en de 39jarige verdediger Yto Nagatomo (ex-Internazionale) spelen in Japan. De helft van de selectie speelt in de vijf grootste Europese competities; Engeland, Duitsland, Italië, Spanje en Frankrijk.
Dat Japan zich daardoor met toplanden kan meten, bleek in maart op Wembley. Japan had slechts 30 procent balbezit, maar was dodelijk effectief in de omschakeling: bal afpakken, counteren, scoren; 0-1 winst op Engeland. „Als Japan in balbezit van de tegenstander achterover gaat hangen, dan ontstaan er ruimtes waarin ze met snelheid en techniek winnen”, zegt Rikkert de Koe. „Dit team heeft veel zelfvertrouwen. Bij de bond bagatelliseren ze de boel als ik zeg dat Nederland de borst nat kan maken. Maar ze denken stiekem wel: we kunnen van Nederland winnen.”
Commenti
Posta un commento