De zege van de verlossing en de volharding: Wout van Aert klopt de onklopbare én zijn demonen
© presse sports
Van Aert won door te doen waarin hij de absolute kampioen is: terugvechten.
Van de beslissende aanval over het kleven in het achterwiel op de kasseien tot de bloedstollende sprint: hij deed zowat alles perfect
13 Apr 2026 - De Standaard
Diebrecht De Smet
Er vloeiden tranen op de velodroom van Roubaix. Veel tranen. Misschien zelfs meer dan er onderweg lekke banden waren. Wout van Aert slaagde jarenlang met onderscheiding in pech en tegenslag hebben, maar in de Hel volgde eindelijk de enige remedie die telt.
“Aujourd’hui, c’est Wouw van Aert!” Op de Vélodrome André Pétrieux gingen de speaker en het publiek zondagnamiddag collectief door het lint, nadat Wout van Aert op het einde van een 258 kilometer lange dollemansrit had afgerekend met zijn demonen. In een sprint die veel weghad van een therapiesessie hield de Kempenaar Tadej Pogacar van een unieke vijf op vijf. Z’n rechterhand ging omhoog, richting de hemel. Een eerbetoon aan de overleden Michael Goolaerts.
In 2018, het jaar dat Van Aert debuteerde in de Helleklassieker, stierf z’n toenmalige ploegmaat bij Veranda’s Willems in Parijs-Roubaix als gevolg van een hartstilstand. Sindsdien rijdt Goolaerts als een schaduw over de kasseien mee. “Sinds zijn dood was het mijn doel om deze koers te winnen”, zei Van Aert net na de finish. Een uur later voegde hij eraan toe: “Ik wil graag geloven dat Michael me vandaag extra kracht heeft gegeven.”
Toxische relatie
Van Aert en de kasseimonumenten, het was jaren een toxische relatie. Talent, motor, een palmares om u tegen te zeggen (Milaan-Sanremo, Strade Bianche, Amstel Gold Race, E3 Classic, Gent-Wevelgem, tien Touretappes): Vlaanderens chouchou had het allemaal. Alleen het slotstuk ontbrak. De Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix leken almaar meer oninneembare forten. Lekke banden, valpartijen, een universum dat af en toe dacht: “Nee Wout, vandaag niet”, hij kreeg het in willekeurige volgorde op zijn bord. Als het universum hem toch eens met rust liet, was er wel een Sloveense allesvreter of een Nederlandse machine als stoorzender.
Maar Van Aert zette door, al leek het scenario zondag aanvankelijk opnieuw geschreven door een of andere cynicus. Vroeg in de wedstrijd was hij een eerste keer lek gereden en op 71 kilometer van de streep stond hij plots opnieuw werkloos aan de kant. Van Aert reageerde door datgene te doen waarin hij de absolute kampioen is: terugvechten. Nadat hij weer bij de kopgroep was aangesloten, nam hij de regie over. Op 54 kilometer van de streep, op de kasseien van Auchy-lez-Orchies à Bersée, zette hij de beslissende aanval op, net toen de ook al door een overdosis miserie teruggeslagen Mathieu van der Poel – misschien wel dé pechvogel van de dag – de aansluiting dreigde te maken.
De enige die kon volgen – hoe zou het ook anders? – was Tadej Pogacar. De Sloveen had er op dat moment zelf al een stevige inhaaljacht opzitten: op 120 kilometer van de streep was hij lek gereden en meer dan een minuut teruggeslagen. Als excuus wilde de wereldkampioen het achteraf niet gebruiken. “Wanneer je problemen hebt, verspil je altijd wat energie”, gaf hij aan. “Maar dat is nu eenmaal hoe deze koers verloopt.”
Romantiek is mooi, winnen beter
Na de Ronde vorige zondag klonk het nog dat Van der Poel defensiever had moeten koersen, toen hij er met Pogacar vandoor was gegaan, om zichzelf meer kans te geven. In die val trapte Van Aert niet. Tekenend was het moment net na het afdraaien van Mons-enPévèle: Pogacar maande hem aan over te nemen, maar Van Aert schudde van nee. De reden? Net op die kasseistrook had hij beseft dat de Sloveen “de sterkste man van het hele peloton” was. “Hij plaatste er een hele sterke aanval die ik gelukkig net kon beantwoorden, maar vanaf dat moment wist ik: mijn hoofddoel is nu om in zijn wiel te blijven plakken.”
Romantiek is mooi, winnen beter. Van Aert beet zich vast in het spoor van de wereldkampioen alsof hij een tube secondelijm in de achterzak had. Ook op de laatste cruciale stroken, Camphin-en-Pévèle en Carrefour de l’Arbre, gaf hij geen krimp. Zo draaiden ze met twee de Vélodrome op voor een bloedstollende sprint, waarin de kopman van Visma-Lease a Bike zich de koelbloedigste toonde. Het spetterende sluitstuk van een Parijs-Roubaix die nooit stilviel, bol stond van de plottwisten en de allersnelste editie ooit werd: Van Aert en co. vlogen tegen een gemiddelde snelheid van bijna 49 kilometer per uur over de kasseien.
Respect van het peloton
Niemand die hem de overwinning misgunde. Zelfs Pogacar niet, die zijn zegereeks afgebroken zag. Sinds Luik-Bastenaken-Luik vorig jaar had de Sloveen geen Monument meer verloren. En in de drie wedstrijden waarin hij dit seizoen aan de start was verschenen, was hij telkens als de nummer 1 over de streep gebold. De laatste elf Monumenten verdeelden hij en Van der Poel bovendien onder elkaar. Het geeft aan wat voor een nummer Van Aert opgevoerd heeft – de onklopbare blijkt toch te kloppen. “Wout verdient dit echt”, zei Pogacar die minstens een jaar langer moet wachten op dat ene ontbrekende Monument op zijn erelijst. “Hij geeft nooit op en kan voor veel kinderen een held zijn.”
Voor Van Aert is het zijn tweede Monument, na Milaan-Sanremo 2021. Sindsdien klonk het vaak dat hij dan “just niks” moest, maar dat hij misschien toch wat vaker zou mogen winnen. Van die commentaar is de 31-jarige Kempenaar definitief verlost. Ook Visma-Lease a Bike probeerde al jaren de Helleklassieker te winnen. Ceo Richard Plugge verborg op de Vélodrome niet dat dit de overwinning was die bij hemzelf “het hoogste op het lijstje” stond.
Met het vertrouwen van z’n kopman zat het snor, onthulde een zichtbaar geemotioneerde Plugge. Zaterdag, tijdens een trainingsritje, had Van Aert een sprintje getrokken in het bijzijn van zijn teammanager. Zijn boodschap was even simpel als zelfverzekerd: “Als ik morgen zo sprint, dan win ik.” Het bleek geen overmoed, maar gegrond zelfvertrouwen. De Hel is voor Van Aert voortaan een paradijs.
In ‘Aan de meet’ blikt Diebrecht De Smet terug op de wieleractualiteit van het weekend.
***
© presse sports
Van Aert ha vinto facendo ciò in cui è il campione assoluto: reagire.
La vittoria della redenzione e della perseveranza:
Wout Van Aert sconfigge i suoi demoni e l'imbattibile
Dall'attacco decisivo al tenersi incollato alla ruota posteriore sulle pietre, fino allo sprint mozzafiato: ha fatto praticamente tutto alla perfezione
13 aprile 2026 - De Standaard
Diebrecht De Smet
Al velodromo di Roubaix sono scorse lacrime. Molte lacrime. Forse anche più delle forature che si sono verificate lungo il percorso. Per anni Wout Van Aert è stato un campione indiscusso di sfortuna e contrattempi, ma all’Inferno ha finalmente trovato l’unico rimedio che conta.
«Aujourd’hui, c’est Wouw Van Aert!» Al Vélodrome André Pétrieux, domenica pomeriggio, lo speaker e il pubblico sono impazziti di gioia dopo che Wout Van Aert, al termine di una corsa folle di 258 chilometri, ha avuto la meglio sui suoi demoni. In uno sprint che assomigliava molto a una seduta terapeutica, il ciclista della regione di Kempen ha impedito a Tadej Pogacar di conquistare un inedito cinque su cinque. La sua mano destra si è alzata, verso il cielo. Un omaggio al compianto Michael Goolaerts.
Nel 2018, l’anno in cui Van Aert ha debuttato nella Classica dell’Inferno, il suo allora compagno di squadra alla Veranda’s Willems è morto alla Parigi-Roubaix a causa di un arresto cardiaco. Da allora, Goolaerts lo accompagna come un’ombra sulle pietre. “Dopo la sua morte, il mio obiettivo era vincere questa gara”, ha dichiarato Van Aert subito dopo il traguardo. Un’ora dopo ha aggiunto: “Mi piace credere che oggi Michael mi abbia dato una forza in più”.
Relazione tossica
Van Aert e le classiche su pavé: per anni è stato un rapporto tossico. Talento, grinta, un palmarès da urlo (Milano-Sanremo, Strade Bianche, Amstel Gold Race, E3 Classic, Gand-Wevelgem, dieci tappe al Tour): il beniamino delle Fiandre aveva tutto. Mancava solo il coronamento. Il Giro delle Fiandre e la Parigi-Roubaix sembravano fortezze sempre più inespugnabili. Forature, cadute, un universo che ogni tanto pensava: “No Wout, oggi no”, gli si presentavano davanti in ordine casuale. E quando l’universo lo lasciava in pace, c’era sempre un tuttofare sloveno o una macchina neerlandese a fargli da guastafeste.
Van Aert però ha tenuto duro, anche se domenica lo scenario sembrava inizialmente riscritto da qualche cinico. All’inizio della gara ha forato una prima volta e a 71 chilometri dal traguardo si è ritrovato improvvisamente di nuovo a piedi a bordo strada. Van Aert ha reagito facendo ciò in cui è il campione assoluto: reagire. Dopo essersi ricongiunto al gruppo di testa, ha preso il comando. A 54 chilometri dal traguardo, sulle pietre di Auchy-lez-Orchies a Bersée, ha sferrato l’attacco decisivo, proprio mentre Mathieu van der Poel – forse il più sfortunato della giornata – già provato da una dose eccessiva di problemi, minacciava di ricongiungersi.
L'unico in grado di stargli dietro – come poteva essere altrimenti? – era Tadej Pogacar. Lo sloveno aveva già alle spalle una dura rimonta: a 120 chilometri dal traguardo aveva forato ed era rimasto indietro di oltre un minuto. Il campione del mondo non ha voluto usare questo come scusa a posteriori. “Quando hai dei problemi, sprechi sempre un po’ di energia”, ha dichiarato. “Ma è così che va questa gara.”
Il romanticismo è bello, vincere è meglio
Dopo il Fiandre di domenica scorsa, si diceva ancora che van der Poel avrebbe dovuto correre in modo più difensivo, quando era scattato con Pogacar, per darsi più possibilità. Van Aert non è caduto in quella trappola. Significativo è stato il momento subito dopo la svolta a Mons-en-Pévèle: Pogacar lo ha esortato a prendere il comando, ma Van Aert ha scosso la testa in segno di diniego. Il motivo? Proprio su quel tratto di pavé si era reso conto che lo sloveno era «l’uomo più forte di tutto il gruppo». «Ha sferrato un attacco molto forte a cui fortunatamente sono riuscito a rispondere, ma da quel momento ho capito: il mio obiettivo principale ora è restare incollato alla sua ruota».
Il romanticismo è bello, ma vincere è meglio. Van Aert si è incollato alle ruote del campione del mondo come se avesse un tubetto di colla istantanea nella tasca posteriore. Anche negli ultimi tratti cruciali, Camphin-en-Pévèle e Carrefour de l’Arbre, non ha ceduto di un millimetro. Così, in due, sono entrati al Vélodrome per uno sprint mozzafiato, in cui il capitano della Visma-Lease a Bike si è dimostrato il più freddo. Il finale spettacolare di una Parigi-Roubaix che non ha mai perso un colpo, ricca di colpi di scena e diventata l’edizione più veloce di sempre: Van Aert e compagni hanno sfrecciato sulle pietre a una velocità media di quasi 49 chilometri all’ora (48,91 km/H, ndr).
Rispetto del gruppo
Nessuno gli ha invidiato la vittoria. Nemmeno Pogacar, che ha visto interrompersi la sua serie di successi. Dalla Liegi-Bastogne-Liegi dello scorso anno, lo sloveno non aveva più perso una Monumento. E nelle tre gare a cui aveva preso il via in questa stagione, aveva sempre tagliato il traguardo per primo. Inoltre, lui e Van der Poel si sono divisi le ultime undici Monumento. Questo la dice lunga su quale impresa Van Aert abbia compiuto: l’imbattibile si è rivelato battibile. «Wout se lo merita davvero», ha detto Pogacar, che dovrà aspettare almeno un altro anno per aggiungere quell’unico Monumento mancante al suo palmarès. «Non molla mai e può essere un idolo per molti bambini».
Per Van Aert è la seconda Monumento, dopo la Milano-Sanremo del 2020. Da allora si è sentito spesso dire che non doveva “fare nulla di particolare”, ma che forse avrebbe potuto vincere un po’ più spesso. Il 31enne di Kempen si è definitivamente liberato di quei commenti. Anche la Visma-Lease a Bike cercava da anni di vincere l'Inferno del Nord. Al Vélodrome, il CEO Richard Plugge non ha nascosto che per lui questa era la vittoria “in cima alla lista”.
La fiducia nel suo capitano era al massimo, ha rivelato Plugge visibilmente commosso. Sabato, in allenamento, Van Aert aveva fatto uno sprint in presenza del suo team manager. Il suo messaggio era tanto semplice quanto sicuro: “Se domani faccio uno sprint così, vinco”. Non si è rivelata presunzione, ma fondata fiducia in se stesso. D'ora in poi, l'Inferno sarà un paradiso per Van Aert.
In “Aan de meet”, Diebrecht De Smet ripercorre l'attualità ciclistica del fine settimana.
Commenti
Posta un commento