Daar gaat hij, een van de kleurrijkste bladeren
10 Oct 2026 - NRC
MARIJN DE VRIES Marijn de Vries is oud-profwielrenner en journalist
De westenwind blies hem naar school. Elf kilometer rechtdoor, over een kaal fietspad langs de provinciale weg tussen Zuidhorn en Groningen. Soms was de lucht strakblauw, soms loodgrijs, soms striemde de regen boven het vlakke land. Het mooist waren de dagen met schepen van wolken aan het zwerk. Eindeloze vergezichten. Nooit waaide het niet.
Echt fietsen leerde Bauke Mollema op de terugweg, denk ik. Na een lange dag stilzitten in de klas trok hij zijn oren tussen zijn schouders, maakte zich klein op een ligstuur, en boorde tegen de wind in. Zijn benen maalden, zijn hele lichaam wiegde bij elke pedaalslag van links naar rechts. Een tred die er nooit meer uitsleet.
Met een rode neus van de kou bracht hij kranten rond, nog voor hij naar school ging. Van het verdiende geld kocht hij een oude racefiets, voor lange tochten door de Ommelanden, het weidse land, veel kleurrijker en gevarieerder dan het lijkt als je goed kijkt. Harder probeerde hij te fietsen, nog harder. De wind zijn tegenstander, zijn berg voor hij de bergen ontdekte.
Met een onderbroek onder een veel te wijde koersbroek meldde hij zich bij een wielervereniging in het noorden, luidt het verhaal. Of hij wielrenner kon worden. De rest is geschiedenis. Hij werd wielrenner, twee decennia deed hij niets anders dan koersen. Hij reed drieëntwintig grote rondes. Won een etappe in de Vuelta, twee Touretappes, en deed lange tijd gooien naar het algemeen klassement.
Wat is toch de magie van draaiende pedalen, dat het je zo grijpt dat het misschien wel nooit meer stopt? De repeterende beweging is verslavend, zoveel is zeker. Hoe ver heeft Bauke Mollema gefietst? Zeventien keer de wereld rond? Tot de maan en terug? Dat is wel hoeveel hij van fietsen houdt. Anders hou je het niet zo lang vol.
Hoe beslis je wanneer je stopt als wedstrijdrenner, als het peloton twintig jaar lang je thuis is geweest? Als een boom in de zomerwind, als bladeren die dansen, zo dicht op elkaar dat ze elkaar soms raken, als je dat gewend bent: hoe laat je dat los?
Als het ergens moet, dan in de grootste wedstrijd die hij ooit won. De Ronde van Lombardije, de koers van de vallende bladeren, het afscheid van het wielerseizoen. Een monument. Bijna stiekem ging hij er vandoor toen, in 2019, achttien kilometer voor de meet. Van achteruit het groepje favorieten had hij zijn oren tussen zijn schouders getrokken, hij had zich klein gemaakt. Toen hij demarreerde, reageerde niemand.
De zon speelde tussen de kleurende bladeren, maakte vlekken op het asfalt. Ik denk niet dat hij het zag, maar hij herinnert het zich sindsdien elk jaar vanwege dat gekke fenomeen in koers: je hebt toch alles waargenomen. De gezichten van de mensen langs de kant, hun open monden in de vorm van „Bauke”, de prachtige gebouwen in Como, het rode hoedje van zijn moeder die stond te springen in de laatste bocht. Solo zegevierde hij, zijn armen wijd en het gezicht omhoog.
Zaterdag is hij daar voor het allerlaatst, in die koers vol herinneringen, en in het peloton. De zon schittert net als zeven jaar geleden in het water van het Comomeer, denk ik, als de finishlijn hem als een draadje van de boom snijdt. Daar gaat-ie, een van de kleurrijkste bladeren, op de vleugels van de westenwind.
***
Eccola lì, una delle foglie più colorate
In coda al gruppo dei favoriti, aveva le orecchie incollate alle spalle
10 ottobre 2026 - NRC
MARIJN DE VRIES
Marijn de Vries è giornalista ed ex ciclista professionista
Il vento da ovest lo spingeva verso la scuola. Undici chilometri in linea retta, su una pista ciclabile spoglia lungo la strada provinciale tra Zuidhorn e Groningen. A volte il cielo era di un blu intenso, a volte grigio piombo, a volte la pioggia sferzava la pianura. Le giornate più belle erano quelle con navi di nuvole nel cielo. Panorami infiniti. Il vento soffiava sempre.
Credo che Bauke Mollema abbia imparato davvero ad andare in bicicletta sulla via del ritorno. Dopo una lunga giornata trascorsa seduto in classe, tirava le orecchie tra le spalle, si rimpiccioliva sul manubrio reclinato e avanzava contro il vento. Le sue gambe macinavano, tutto il suo corpo ondeggiava da sinistra a destra a ogni pedalata. Un ritmo che non gli è mai più uscito di testa.
Con il naso rosso per il freddo, consegnava i giornali prima ancora di andare a scuola. Con i soldi guadagnati si comprò una vecchia bici da corsa, per lunghe escursioni attraverso l'Ommelanden, quella vasta campagna, molto più colorata e variegata di quanto sembri, se la si osserva attentamente. Cercava di pedalare più forte, ancora più forte. Il vento era il suo avversario, la sua montagna prima che scoprisse le montagne vere e proprie.
Si racconta che, con un paio di mutande sotto una tuta da ciclista decisamente troppo larga, si presentò presso un’associazione ciclistica nel nord del Paese per chiedere se potesse diventare un corridore. Il resto è storia. Diventato professionista, per due decenni non ha fatto altro che gareggiare. Ha partecipato a ventitré grandi giri. Ha vinto una tappa alla Vuelta, due tappe al Tour e per molto tempo ha lottato per la classifica generale.
Ma qual è la magia dei pedali che girano, che ti coinvolge a tal punto da non farti più smettere? Il movimento ripetitivo crea dipendenza, questo è certo. Quanta strada ha percorso Bauke Mollema in bicicletta? Diciassette volte il giro del mondo? Fino alla luna e ritorno? È proprio questo che ama dell'andare in bicicletta. Altrimenti non si resiste così a lungo.
Come si fa a decidere quando smettere da corridore professionista, se per vent'anni la tua casa è stata il gruppo? Come un albero nel vento estivo, come foglie che danzano, così vicine tra loro da sfiorarsi a volte, se ci sei abituato: come si fa a lasciar andare tutto questo?
Se c’è un momento giusto per farlo, è nella gara più importante che abbia mai vinto. Il Giro di Lombardia, la corsa delle foglie che cadono, l’addio alla stagione ciclistica. Una monumento. Quasi di nascosto se ne andò allora, nel 2019, a meno diciotto chilometri dal traguardo. Dal fondo del gruppo dei favoriti s'era tirato le orecchie tra le spalle, si era fatto piccolo. Quando partì in solitaria, nessuno reagì.
Il sole giocava tra le foglie dai colori autunnali, creando macchie sull’asfalto. Non credo se ne sia accorto, ma da allora se lo ricorda ogni anno a causa di quel fenomeno bizzarro delle gare ciclistiche: in fondo hai notato tutto. I volti della gente a bordo strada, le loro bocche spalancate a formare la parola «Bauke», gli splendidi palazzi di Como, il cappellino rosso di sua madre che saltellava nell’ultima curva. Ha trionfato in solitaria, con le braccia spalancate e lo sguardo rivolto verso l’alto.
Sabato sarà lì per l’ultima volta, in quella gara piena di ricordi, e nel gruppo. Il sole brilla proprio come sette anni fa sulle acque del Lago di Como, penso, mentre il traguardo lo taglia come un filo che si stacca dall’albero. Eccolo che se ne va, una delle foglie più colorate, sulle ali del vento da ovest.

Commenti
Posta un commento